Bakermat
          Omkaderd
           

Herselt, de bakermat van de familie Thiels

Generaties lang heeft de familie Thiels in Herselt gewoond. De meeste verbleven te Blauberg of op de Voortjesheide (wijk Varenwinkel). Daar was hun aanwezigheid zo uitgesproken dat die te Blauberg de gevleugelde woorden deed ontstaan: “Op de Blauberg heet iedereen Aerts, behalve die van Thiels, die heten Meynckens.” M.a.w. te Blauberg domineerden twee families, de Aertsen - of de “Klonen”, zo genoemd naar de stamvader die klompenmaker was - en de Thielsen. Dat belette de Thielsen niet om uit te zwermen, zowel binnen de gemeente als daarbuiten. Dit bleef trouwens niet beperkt tot de buurtgemeenten. Ook buiten Vlaanderen is de familie Thiels present, zoals te Nederland - waar al in de 13de eeuw een “Thiels” genoemd wordt in akten over Tilburg -, Frankrijk en zelfs de Verenigde Staten van Amerika.

Voor mensen die een stamboom opmaken of de geschiedenis van hun familie schrijven is een kerngebied als Herselt een zegen maar ook een vloek. Een zegen, want de meeste gegevens kunnen in één gemeente gevonden worden of in de aangrenzende. Maar ook een vloek, want je moet op elk moment rekening houden met alle eigenaardigheden van de streek waar je familie vandaan komt. En voor de gemeente Herselt waren er dat tijdens de vorige eeuwen heel wat !

Van de vroege middeleeuwen tot ongeveer 1800 was Herselt een heerlijkheid - de toenmalige benaming van wat we nu een gemeente noemen - in het hertogdom Brabant. Het behoor-de samen met de huidige fusiegemeente Westerlo, Olen en Hulshout tot het markizaat Westerlo dat bestuurd werd door de familie de Merode en dat een onderdeel was van het mark-graafschap Antwerpen. Dit was op zijn beurt een deel van het overkoepelende hertogdom Brabant. Aangrenzende gemeenten als Testelt, Begijnendijk, Aarschot en Wolfsdonk behoorden tot een ander onderdeel van Brabant, nl. het hertogdom Aarschot. Al deze opdelingen brachten tal van verschillende regels, wetten en belastingen met zich mee die het voor mensen van vandaag niet makkelijk maken om het leven van onze voorouders te verstaan. Zo werden bijvoorbeeld andere maten en gewichten gehanteerd in het hertogdom Aarschot dan in het markizaat Westerlo. Ook de munten en oppervlaktematen konden erg uiteenlopen.

Voor Herselt werd deze situatie nog ingewikkelder. Alhoewel het één eigen heerlijkheid was met een eigen schepenbank of dorpsbestuur, was de gemeente verdeeld in drie grote delen naargelang de parochie waartoe die behoorden. Zo was er:
-  Herselt - het eigenlijke centrum met Varenwinkel - of de parochie St.-Servaas.
-  Ramsel of de St.-Hubertus- parochie
-  Blauberg en Bergom. Deze laatste hadden geen eigen structuur maar hoorden bij  Westerlo of de parochie St.-Lambertus.

Aangezien een groot deel van het middeleeuwse leven en economie gebaseerd was op het principe één dorp één parochie ontstonden hier veel problemen. Al wat geregeld of opgelegd werd door de overheid - belastingen, wetten, administratie, tellingen, … - was van kracht voor de hele heerlijkheid. Het dagelijkse leven en al wat daarbij hoorde, was echter geregeld per parochie. Dit was niet alleen zo voor de doopsels, huwelijken en begrafenissen en hun registratie, maar ook voor de armenzorg (de Heilige-Geesttafels) en de tienden die moesten dienen voor het onderhoud van de kerk en de pastorij en het loon van de pastoor. Wie dus te Bergom of Blauberg woonde, moest wel zijn belastingen betalen te Herselt, maar moest voor al de rest terecht in Westerlo. Zolang dit het betalen van de tienden en de zuiver kerkelijke zaken (dopen, …) betrof, zag men daar de mensen van Blauberg en Bergom graag komen. Wanneer diezelfde mensen echter kwamen aankloppen voor steun door de armentafel waren ze niet meer welkom en begon het spelletje verantwoordelijkheid doorschuiven tussen Westerlo en Herselt. De behoeftigen - en die waren er vooral in Blauberg veel - waren de dupe.

Voor de familievorsers is deze opdeling van de gemeente Herselt vaak een struikelblok. Onze voorouders waren meestal pachters die geen of weinig eigen grond hadden en vaak verhuisden telkens hun huur was afgelopen. Zo kan het voorkomen dat een gezin officieel altijd in Herselt had gewoond, maar in de praktijk voor korte periodes in andere gemeenten had verbleven. Wanneer men bovendien tussen de verschillende parochies van dezelfde gemeente verhuisde, kon alles voor de opzoekers nog moeilijker worden. Wie houdt er immers altijd rekening mee dat een gezin uit de Voortjesheide of de Bleidenhoek te Blauberg zijn pasgeborene de ene keer in Herselt-centrum laat dopen en de andere keer in Westerlo ? En dan is er nog geeneens een verklaring gegeven waarom dit gebeurde. Om de zaken nog ingewikkelder te maken, kunnen we even stilstaan bij de grenzen tussen de bisdommen. Voor onze streek waren er vanaf 1559 drie bisdommen : Mechelen voor de gemeenten van de huidige provincie Brabant, Antwerpen voor Herselt St.-Servaas, en … ’s Hertogenbosch voor de parochies Westerlo en Ramsel !! Waarmee we maar willen duidelijk maken dat het vinden van informatie over een familie vaak minder eenvoudig is dan het lijkt. Afhankelijk van bovengenoemde indelingen, moet je immers op andere plaatsen in andere archiefbronnen gaan zoeken.

Wie zich door dit alles niet laat afschrikken, vindt tal van interessante zaken over zijn familie. Wist je bv. dat Jan Thils in 1786 ‘borgemeester’ - zeg maar ontvanger van de belastingen - was voor Ramsel? Dat Norbertus Thiels de 43ste abt van Averbode werd? Dat Petrus Hubertus Thiels pastoor werd van Langdorp en later van Ramsel? Dat zijn broer Norbertus Franciscus in 1806 aan de universiteit van Leiden afstudeerde als dokter - een uitzondering voor die tijd ! - en na een vechtpartij moest vluchten voor de politie? Dat hun broer Michiel een grote boerderij had op de Voortjesheide?

Toch moeten we bij dit alles waarschuwen voor een te rooskleurige kijk op het leven van onze voorouders. Het is niet omdat enkele figuren bekend zijn geworden of het ver hebben geschopt in de maatschappij, dat het leven voor andere leden van de familie al rozengeur en maneschijn is geweest. Integendeel ! Het dagelijkse leven was gewoonlijk één van hard labeur op arme grond. De meeste mensen mochten al dik tevreden zijn als ze elke dag genoeg eten op de plank hadden voor hun gezin. Bovendien was een stelsel van sociale zekerheid zoals wij dat nu kennen, onbestaande. Een mislukte oogst, een besmettelijke ziekte onder het vee of de mensen, passerende legerbenden, een brand, … het waren allemaal tegenslagen die een welvarende gezin van het ene ogenblik op het andere tot de bedelstaf konden veroordelen. Voor arme gezinnen waren dergelijke zaken een regelrechte ramp.

Bovendien waren de leefomstandigheden van onze voorouders alles behalve ideaal. De meeste woningen waren immers van leem met slecht één open haard die dag in dag uit moest branden om het eten klaar te maken voor mens en dier, maar die op geen enkel moment het huis kon verwarmen. Het gezegde “van voor verbrand, van achter bevroren” geeft duidelijk weer hoeveel warmte zo’n open haard leverde. Wie eraan twijfelt, gaat best eens op een koude, regenachtige dag in het vroege voorjaar of late herfst naar Bokrijk. Daar kan je nog aan den lijve ondervinden hoe “gezellig” dit aanvoelt als je daar je hele leven moet in wonen. In zo’n lemen stulp kon men amper de woonkamer verwarmen, de slaapkamers  (zo ze er al waren) of de slaapzolder waren ijskoud. De hoge kindersterfte bij zuigelingen was voor een groot deel te wijten aan deze minderwaardige huisvesting. Daarom sliepen veel gezinsleden en ook de meiden en knechten in het hooi in de schuur of op de schelft (=de hooizolder) boven de stal. Daar had men tenminste de warmte van het hooi of stro én die van de dieren. Dat men uren in de wind naar de mest van de geiten of de koeien stonk moest men er maar bijnemen.

Bij deze - naar onze normen - minderwaardige hygiëne en huisvesting moet je ook nog rekening houden met de voeding van de mensen. Voor de armen en de dagloners was het simpel: er was altijd eten te kort. En bij wie genoeg te eten had voor zijn gezin was de voeding heel eenvoudig en eenzijdig: pap en roggebrood driemaal per dag. Veel afwisseling was er voor de meeste niet bij. Dat dit niet bevorderlijk was voor de gezondheid, spreekt voor zich. Veel misvormingen, ziekten en voortijdige dood waren een gevolg van deze slechte voedings- en leefomstandigheden.

Wie zoals de familie Thiels de geschiedenis van zijn familie wil schrijven, mag niet voorbij gaan aan dergelijke zaken. Het is pas tegen de achtergrond van hard labeur op schrale zandgrond, van oorlogen of epidemieën, van leven en dood, dat een stamboom of familiegeschiedenis meer wordt dan een loutere reeks nietszeggende namen. Pas dan realiseert men zich dat het gaat om mensen van vlees en bloed, die in ons voortleven.

Enkele oude foto's van Herselt en Ramsel

hHerselt de Snepkens
Herselt Dorpplaats
Herselt Panorama
Herselt herberg
Ramsel windmolen
Ramsel Molenstraat
Ramsel Stationstraat
Ramsel Kleiput
Ramsel weg naar Herselt

TOP

Gregorius Thiels
43ste Abt van de Abdij van Averbode
Leefde in de turbulente jaren van de Franse Revolutie

Gregorius ThielsAls 16de kind uit de kroostrijke familie van 17 kinderen, werd Norbertus Thiels geboren op vrijdag de 17de augustus 1742. Zijn ouders waren Joannes, 41 jaar en Elisabeth Verreyt, 42 jaar. De volgende dag werd hij gedoopt en zijn peter en meter waren Petrus Servatius en Isabella Maria Thiels, zijn 15 jaar oudere broer en 22 jaar oudere zus.

Gedurende zijn jeugd volgde hij school te Westerlo, een naburig dorp op wandelafstand. Op 20 jarige leeftijd, op 12 oktober 1762, trad hij binnen in de abdij van Averbode. Dit is het dorp gelegen naast Herselt.
Twee jaar later, in 1764 werd Norbertus priester gewijd en werd hem de naam Gregorius gegeven.

Kort daarna ging hij naar de Universiteit van Leuven, om er nog 2 jaar te studeren.
In 1768 keerde hij naar Averbode terug om er Theologie te onderwijzen en in 1772 werd hij Proviseur van de Abdij. Deze job deed Gregorius voor ongeveer 18 jaar. Na deze periode keerde hij terug naar Leuven als President van het Norbertijnen College.
Na de dood van Abt Verboven in oktober 1790, werd Gregorius Thiels op 12 november 1790 verkozen als 43ste Abt. Tengevolge de Oostenrijkse overheersersing in deze periode, duurde het nog tot april 1791 vooraleer Gregorius zich als Abt kon vestigen.

Na verschillende hevige gevechten, werden de Oostenrijkers door de Franse legers verdreven en gingen onze contreien deel uitmaken van de Franse Republiek. Normaal leven in de abdij werd sindsdien bijna onmogelijk, temeer daar de Fransen uitwaren op weerwraak, daar de Abdij logies had gegeven aan de Oostenrijkse legers.

Abt Gregorius begon daarom voorzorgen te nemen om zowel goederen als andere waardevolle zaken te vrijwaren. Op 10 juli 1794 verliet hij zijn Abdij om zich te verstoppen. Na zijn terugkeer in 1795, werd hij op 14 februari 1797 opnieuw uit de Abdij verdreven, daar hij niet langer de hoge taksen kon betalen welke de Fransen hem oplegde. Roverij en het aanslaan van goederen waren in die tijd een gewone zaak geworden.

Op zijn vele jaren durende vlucht voor de Fransen, moest hij op verschillende plaatsen onderduiken, zoals Testelt, Diest tot zelfs Emmerich, Westfalen in Duitsland.
Pas in 1808 kon hij naar zijn Abdij in Averbode terugkeren.
Door het turbulente leven gedurende de Franse revolutie, konden veel van zijn plannen niet uitgevoerd worden.
De Fransen werden verdreven, nadat het leger van Napoleon werd verslagen te Waterloo.

Abt Gregorius Thiels stierf op 79 jarige leeftijd op 31 juli 1822. Zijn grafsteen bevindt zich nog steeds op het kleine Abdij kerkhof, tegen de muur van de Abdijkerk.
Ter nagedachtenis van Abt Gregorius, werd er door de Abdij in 1993 een gedenkpenning uitgegeven. Eén zijde toont Gregorius en de andere zijde de 14de eeuwse toegangspoort van de Abdij.

Abdij Averbode
detail graf Gregorius
graf Gregorius

Het testament van Abt Gregorius Thiels.

Eind vorig jaar kwamen we in het bezit van een kopie van het testament van onze door ieder al gekende Abt Gregorius Thiels, 43ste abt van de Norbertijnenabdij van Averbode. Een man met een sterke geschiedkundige waarde. Niet alleen door zijn verantwoordelijkheid voor de genoemde abdij maar ook omdat hij door zijn bisschoppelijke titel zitting heeft als lid van de Staten Generaal van het Hertogdom Brabant. Een andere meerwaarde is dat ook Gregorius grote verantwoordelijkheid draagt op een scharniermoment in de geschiedenis. Het einde van het ‘Oude Regime’ en het begin van de ‘Moderne Tijden; dat is eind 18de en begin 19de eeuw. Het einde van de Oostenrijkse Nederlanden, de Franse Revolutie (waardoor hij en zijn medebroeders uit de abdij werden gezet en moesten vluchten) en de Nederlandse tijd.

Dit testament is opgesteld zowat vijf jaar voor zijn overlijden.
We geven eerst de originele tekst en vervolgens, regel per regel, dezelfde tekst in het Vlaams van toen. De tekst in de marge op de eerste bladzijde informeert ons dat zijn aardse bezittingen zijn overgedragen aan zijn confrater Carleer: “Heer I. Carleer voor den notaris V. Di Martinelli den 12 december 1822”.

     
testament 1
testament 2
testament 3
     

Op heden desen achtentwintighsten february
achthien hondert en seventhien voor my Vin-
centius Dimartinelli openbaeren Notaris ter resi-
dentie Van de stad Diest arr.  van Loven provin-
ce Van Zuydt Brabant en in de presentie der Vier
hier onder te noemen en ondergeteekende getuygen
tot dese Expresselyk Vacerende tot Everbode onder Testelt, was pre-
sent  Den Hoogh weerdigen Heer Gergorius Thiels inwoonende
op de pastorye tot Everbode onder Testelt voorschreven zynde
gezond van Lichaem en memorie Verstand en Zinnen de selve
wel machtigh en gebruyckende, Zoo het daerelyk schene en
bleeke aen my notaris en de vier hier Onder te noemen getuygen
uyt Zyne Conversatie en redecavelingen, en aen my notaris en
de Vier getuygen seer wel bekent Welcken Comparant Gregorius
Thiels Hooghweerdigh Heer Van het voor dese abdye, van het
geseydt Everbode, niet soekende Van dese wereld te
schyden sonder over syne tydelyke goederen gedisponeert te
hebben, en my voornoemden en ondergeteekenden notaris
in de presentie der vier hier onder te noemen getuygen zegt en
dicteert dit zyn tegen woordigh testament en zyn dispositie
van uytersten wille als Volght
Voor Eerst bevele ik Gregorius Thiels Hoogh weerdigh Heere
van het voor dese abdye Everbode testateur by dese, myne
Ziele Zoo haest de selve uyt myn sterffelyk Lichaem sal
Komen te scheyden aen de Grondeloose Bermhertigheyd
Van God almachtigh mynen Schepper en Salighmaeker,
aen de voorspraeke Van Zyne gebenedyde Moeder en
Heylige Maghet Maria, en van het geheel hemels gezelschap
en myn dood Lichaem ter gewyde aerde, laetende myne
begraeffenisse, uytvaerdt en alle godvruchtige Werken
te doen tot Laeffenisse myner Ziele aen de discretie
van myne hier onder te noemen Erffgenaemen, waer
mede comende tot de dispositie Van alle myne tydelyke
goederen meubelen en immeubelen en allent welck my
op den dagh Van myn overlyden sal toebehooren, alle het
selve laet maeke en legatere ik aen den Eerweerdige Heere
Ignatius Loyola Carleer, actuelen onderpastoor tot
Testelt, noemende en instituerende den selven by desen voor

Mynen Eenighsten en universeelen Erffgenaem
en in geval den gesyden en voornoemden Heere
Carleer van voor my testateur komt te overlyden,
noeme en instituere ik by dese voor mynen
Eenighsten en universelen Erffgenaemen den Eerweerdigen
Heere Willebrordus Verhulst, actuelen onder pastoor van
Couersel, en in geval de voornoemde twee Heren Carleer
en Verhulst byde voor my komen te overlyden, noeme
en instituere ik voor mynen Eenighsten en universelen
Erffgenaemen den Eerweerdigen Heere Sulpitius De Lespes tegen
woordigh onder pastoor tot Averbode vorschreve, om nae
mynen dood met alle myne goederen te doen en te dispone-
ren als Van saeke, hem in vollen eygendom toebehoorende
Waer in bestaet mynen Eenighsten en laesten wille
Dit testament is alsoo door den geseyde hoogh weerdigen
Heere Gregorius Thiels testateur, aen my notaris voornoemt
en ondergeschreven gedicteert, door my notaris voornoemt
zoo en gelyk hy het my heeft gedicteert geschreven en ter-
stonds daer nae door my notaris aen den geseyden Hoogh
weerdigen Heere testateur voor gelesen, alles in de presentie
Van den Eerweerdigen Heere Antonius Robyns, Pastoor
van Averbode, Joannes Franciscus Vermeylen Land-
bouwer tot Testelt, Henricus Claes Landbouwer woonende
onder Testelt voorschreven en Henricus Corten koster
van en tot Averboden voor getuygen hier toe expresselyk aensoght
genietende alle van hunne Borgelyke Rechten in Welckens
presentie den heere testateur nae voor lesinge aen hem
gedaen als boven heeft verclaert het selve wel te hebben
verstaen Conforme te syn aen zyne intentie en daer in te
Volherden, waer nae door my notaris aen den Heere testateur
en de vier voornoemde getuygen gevraeght off hy en sy alle
konde off wisten te schryven, heeft den Heere testateur en
alle de getuygen geantwoord dat ja en dese te sullen teeken-
en met my notaris waer van acte – aldus gedaen en
gepasseert op de pastorye tot Averboden woonplaetse
van den Heere testateur onder Testelt ten daeghe maende

en jaere als boven omtrent twelf uren des middaghs,
nae voorlesinge van allent voorschreven heeft den heere
testateur en de vier getuygen dese beneffens my notaris ge-
teekent als volght

Gregorius Thiels
Antonius Robyns
Jan Fr: Vermylen
Henri Claes
Henricus Corten
V: Di Martinelli Nris

Enregistré a Diest le Treize novembre
1800 vingt deux folio cent Douze verso
Case Cinq    reçu Trois florins Cinquante
Quatre et demi Cous: ad 9° Comprise

     

Grafsteen Abt Gregorius Thiels verplaatst

Bij een bezoek aan het kleine kerkhof naast de Abdij van Averbode in februari, viel het onmiddellijk op dat er wat wijzigingen waren gebeurd. Verschillende struiken en planten waren verwijderd om plaats te maken voor nieuwe.
Ook de grafsteen van Gregorius Thiels, 43ste abt van deze abdij en gestorven in 1822 was verplaatst. Nu hadden we door de jaren deze grafsteen al enkele malen een grondige poetsbeurt gegeven, daar we deze toch tot ons familiepatrimonium mogen rekenen.

Wat was er gebeurd?
De grafsteen werd enkele meters van de plaats waar hij lag, nu rechtop tegen de muur van de abdij gezet. Ook werd een afgebroken hoek vakkundig terug gelijmd. Graag hadden we hier toch wat meer duidelijkheid over gekregen.
Een antwoord op onze vraag aan de provisor van de abdij, E.H. M. Fierens luidt als volgt:

Inderdaad, wij hebben in oktober 2010 de grafsteen van prelaat Thiels rechtop geplaatst tegen de muur van het zijkoor van de abdijkerk. Bij deze gelegenheid werd de steen ook gelijmd, want er was een grote hoek afgebroken.
Dit was de oorspronkelijke plaats van de grafsteen, aangezien prelaat Thiels daar ook begraven ligt tegen de muur. Toen de buitenmuren van de abdijkerk gerestaureerd werden rond 1970, werd deze grafsteen uit de muur verwijderd en achteraf niet meer teruggeplaatst, maar op de grond gelegd verderop. We vonden het beter de steen op zijn oorspronkelijke plaats terug te zetten boven het graf.”

We hebben van de gelegenheid ook gebruik gemaakt om een prangende vraag te stellen aan de archivaris van de abdij, EH. Herman Janssens. Waarom werd abt Gregorius Thiels niet, zoals zijn voorgangers, begraven in de crypte onder het altaar?

Zijn antwoord hierop is:
De eeuwen voor de Franse Revolutie werden de abten begraven in de daarvoor ingerichte crypte onder het hoofdaltaar in de kerk. Omdat abt Thiels is gestorven op een ogenblik dat de abdij niet meer bestond, en er streng toezicht was op elke poging om de abdij terug op te richten, heeft hij blijkbaar een graf op het kerkhof gekregen.
De eerste oversten van de heropgerichte abdij werden, zoals de andere medebroeders, in de pand gang begraven. Later mocht dit niet meer. Daarom werd ook de eerste abt na de heroprichting, Leopold Nelo, in 1887 op het kerkhof begraven. Sedert de dood van zijn opvolger G. Crets in 1944 worden de abten opnieuw in de crypte bijgezet.”

Pas in 1834 wordt de abdij terug hersticht en wordt Hubertus Dierckx als overste gekozen. Het regelmatige kloosterleven kan dan herbeginnen.

De grafsteen zal nu gemakkelijker te onderhouden zijn en staat ook terug op zijn oorspronkelijke plaats. Gewoon prachtig.

Hendrik Thiels

  grafsteen  
     
  gregorius  
     

TOP

Geografische verspreiding
 

Het is zeer opmerkelijk dat het geslacht THIELS tot op heden hoofdzakelijk in Vlaanderen te vinden is. Voornamelijk het gebied boven Aarschot (met zwaartepunt in en om Herselt) waar de bakermat te vinden moet zijn en welk we HOLVAO noemen (Het Oude Land Van Aarschot en Omliggende) en de streek ten zuidwesten van Brussel (met kern in Herfelingen) welk we HOLVEO (Het Oude Land Van Edingen en Omliggende) heten.
Er zijn dus twee grote gebieden te bespeuren waar we het geslacht terugvinden: Noordoost en Zuidwest Vlaams-Brabant.

De relatie tussen deze gebieden is nog niet gekend, maar zal waarschijnlijk gezocht moeten worden in het feit van verhuis van een familie, jonkman of verscheidene Thiels-en van het noordoosten naar het zuidwesten. Geografisch ligt dit op logisch te volgen lijn, terwijl het een volgen is van een oude Romeinse heirbaan.

Anderzijds zullen factoren van economische grondslag een rol hebben gespeeld (Spaanse bezetting) alsook de agrarische factor. Men gaat immers van een arme heide- en zandgrond (Kempen en Hageland) naar de rijke klei- en leemgronden van zuidwest Brabant.
Dat er een bestuiving heeft plaatsgevonden van het Brusselse gebied valt niet te ontkennen. Zowel vanuit HOLVAO als HOLVEO zijn er naamdragers geweest (en zijn er nog) die zich in het hoofdstedelijk gewest zijn gaan vestigen; dit gepaard gaande met al dan niet terugkeer naar de onderscheiden gebieden van oorsprong, na verloop van tijd en/of generaties.

En Wallonië dan?

We mogen stellen dat alle Thiels-en die naar het Waalse landsgedeelte gingen zich hoofdzakelijk in de streek van La Louvière zijn gaan vestigen, een uitzondering niet te na gesproken. Reden: de koolmijnen in dat gebied met een economisch attractiever perspectief in de zware crisisjaren van 1840. Enkele zijn verhuisd om zich meer met de agrarische sector te gaan bezighouden. Sommigen pendelden elke dag tussen HOLVEO en het mijn- of landbouwgebied, anderen hebben er zich definitief gevestigd.

thiels belgie
thils belgie
Geografische verspreiding Thiels in België
Geografische verspreiding Thils in België
tiels belgie
tils belgie
Geografische verspreiding Tiels in België
Geografische verspreiding Tils in België

 Nederland

Joannes Ludovicus Thiels, geboren op 19 september 1777 te Tessenderlo is de grondlegger van onze Nederlandse tak. Hij behoord tot de tak Veerle I en jongste zoon van Joannes Baptista Thiels uit Veerle en Maria Catharina Pontanis, geboren te Testelt.
Joannes Ludovicus huwde in 1812 Maria Christina Merkelbags te Luyksgestel - Nederland en hadden samen zes kinderen. Deze tak is ondertussen uitgegroeid tot een 400-tal personen. Opmerkelijk hier is naamswijziging naar Tils en Tiels. De meeste van hun nakomelingen wonen nog steeds in de omgeving van Luyksgestel, Asten en Eindhoven.

thiels ned
tiels ned
Geografische verspreiding Thiels in Nederland
Geografische verspreiding Tiels in Nederland
tils ned
Geografische verspreiding Tils in Nederland

USA

Ten laatste kennen we de uitwijking in 1883 van het gezin Henricus Thiels - Maria Brems. Deze familie van vader Henricus, moeder Maria en 5 kinderen vertrekt vanuit Ramsel naar de USA, waar ze zich definitief vestigen in Alexandria, het midden en het hart van de “Deep South State of Louisiana”. Vandaag kennen we honderden afstammelingen van dit noest werkende gezin dat eens Vlaanderen verliet wegens de economische en agrarische crisisjaren bij het einde van de eerste helft van de negentiende eeuw.

TOP

   
Omkaderd
   
Marcel Thiels
 
marcel thiels

 

Op een rustige nazomernamiddag zit ik bij Marcel buiten onder een parasol. Marcel woont aan de Blaubergse Steenweg in Herselt, op een boogscheut van de kerk van Blauberg. Ik doe de waarheid misschien een beetje geweld aan maar voor mij is Blauberg een ietwat ingedommeld gehuchtje van dat toch meer bruisende Herselt. De familienaam Thiels is er wel meer dan overvloedig gezaaid. En Marcel is wel een heel bijzondere Thiels, ondervoorzitter van onze familievereniging en levend geheugen van Blauberg.
In het gezin van Karel en Florentine Thiels-Van Braeckel komt op 29 oktober 1928 de kleine Marcel ter wereld. Hij is het negende van de 10 in leven gebleven kinderen van het gezin. Marcel kan ze nog allemaal in volgorde opnoemen: Marie, Louis, Jef, Frans, Jeanne, Rafaëla, Mon, Gerard, Marcel, Maurits. Eén kindje overleed vroegtijdig. Van de 10 zijn er nu nog 3 in leven: zijn zus Jeanne, wiens portret wij al eerder maakten, Marcel zelf en zijn jongste broer Maurits.
Vader Karel was een zeer ondernemende man want hij was tegelijk schrijnwerker, caféuitbater, winkelier en molenaar. Nu nog staat die schrijnwerkerij rechtover de kerk van Blauberg en nog altijd in handen van een nazaat van Karel Thiels.
De kleine Marcel verslijt zijn eerste broeken in de school van Blauberg, maar na zijn plechtige communie mag hij naar Aarschot naar het college. Helaas breekt op 10 mei 1940 de oorlog uit met alle ongemakken en onzekerheden van dien en Marcel keert terug naar huis om daar een tijdje en pas op de plaats te doen. Een jaar nadien mag hij naar de normaalschool in Tienen waar hij in 1948 het onderwijzersdiploma haalt.
Marcel kan meteen aan de slag in de school van Blauberg. Hij zal er blijven tot in 1979. Eerst krijgt hij het derde leerjaar onder zijn hoede. Het jaar nadien krijgt hij de graadklas 3e-4e leerjaar. Vanaf 1953 krijgt hij leerjaar 5 en 6 voorgeschoven en in 1965 wordt hij hoofdonderwijzer. Ondertussen is de 4e graad van het lager onderwijs (leerjaar 7 en 8) al een tijdje van het toneel verdwenen. In 1979, Marcel heeft dan zijn voor die tijd afgesproken plicht van 30 jaar onderwijs voldaan, draagt de gemeente Herselt hem het directeurschap van het Herseltse gemeentelijk onderwijs op. Dat gemeentelijk onderwijsnet gaat dan later over naar het Vrij gesubsidieerd onderwijs (Katholiek onderwijs).
Ondertussen heeft Marcel niet stilgezeten. Legerdienst had hij niet moeten doen want minstens 2 van zijn oudere broers waren wel onder de wapens geweest. Het leven lachte hem toe en hij genoot met volle teugen, “al moest ik er wel over waken niet in opspraak te komen en elke schooldag ’s morgens paraat te staan”. Zijn zus Rafaëla stond ook in het onderwijs en zij had een collega, ene Angèle, waarmee zij zich goed verstond. Zij kwam in het vizier van Marcel en in 1959 werden zij een paar.
Marcel en Angèle kregen 6 kinderen maar ook zij moesten één dochtertje veel te vroeg uit handen geven. Johan, Gertrude, Hildegarde, Filip en Liesbet: zo heten de opvolgers van Marcel en Angèle. De zon schijnt voor het gezin en voor de familie maar ergens zit er een wolkje want Gertrude, de oudste dochter, kampt met een redelijk ernstige beperking.
Stilzitten: het zat Marcel en Angèle niet in het bloed. Zij hebben een grote tuin en die zette hen aan om in eigen behoeften van fruit en groenten te voorzien. Daarvoor was de zomertijd altijd de meest geschikte tijd. Het maakte dat er van reizen naar het buitenland weinig in huis kwam. Lourdes kwam wel eens in beeld en ook Rome werd eens bezocht maar anders was het niet veel zaaks.
Zoals in vele dorpen destijds gebeurde, kwam de onderwijzer ook in beeld bij de verenigingen. Marcel vertoefde graag onder de mensen en belandde o.m. in het lokaal amateurtoneel van die verenigingen. Acteren en regisseren, wat deed hij het graag! Het gebeurde dat hij met drie verschillende initiatieven tegelijk bezig was.
Een ander tijdverdrijf van Marcel was fotografie. Daarmee was hij al bezig als tiener. Zo toont Marcel mij een foto die hij in september 1944 nam toen de eerste tank van de bevrijders Blauberg binnenreed. Marcel heeft een rijke collectie aan foto’s. Een deel ervan is gewijd aan zijn beroepsleven. Andere gaan over het leven van de familie van Marcel, zijn ouders, zijn ooms, zijn tantes. Een andere verzameling gaat over het leven in Blauberg vroeger en nu. Marcel toont mij op 33 grote vellen bruin inpakpapier, elk minstens ruim 2 m² groot, een pak foto’s die alle betrekking hebben op dat leven van Blauberg. Binnenkort worden die getoond op een tentoonstelling in de kerk van Blauberg.
De nieuwe tijden zijn Marcel niet voorbij gehold. Op de tafel in zijn woonkamer staat een laptop. “Ik heb 3 computers” zegt Marcel, “en ik was van de eersten in Blauberg om een internetaansluiting te hebben.”
Zo een 15 jaar geleden is Marcel in de familievereniging gesukkeld. Mark, onze voorzitter, had een contact gehad met Frans, de broer van Marcel. Frans had voor zichzelf de boot afgehouden maar had wel gesuggereerd dat Marcel daar beter zou voor in aanmerking komen. En zo geschiedde. Door al wat hij voordien al verzameld had, leverde hij een belangrijke bijdrage aan het maken van een stuk van die grote stamboom.
Als ik zo met Marcel in gesprek ben kom ik onder de indruk van de vitaliteit die hij nog altijd uitstraalt. Marcel is een echte spraakwaterval, een begenadigd verteller, een bezieler van een leefgemeenschap. Hij heeft mijn bezoek goed voorbereid. Mappen met krantenartikels, pakken foto’s. Hij is klaar om de gepaste informatie, het juiste antwoord op elke vraag te geven. Hij overstelpt mij allerlei leuke anekdotes.
Met de leeftijd komen ook de kleine ongemakken. Zo geraakt Marcel niet helemaal hersteld van een rug letsel dat hij vorig jaar bij een val thuis opliep. En ja, ook moet hij al eens meer naar de oogheelkundige. Het zijn de dingen waarmee je moet leren leven, zegt hij. Hij blikt tevreden terug op het leven dat hij mocht leiden, zijn onderwijsopdracht, zijn hobby’s, zijn gezin, zijn familie. Hij pinkt een traan als het gaat over het overlijden destijds van zijn moeder, over het verlies van zijn kind en hij draagt in stilte de pijn om Gertrude.
“Wensen voor het leven dat mij nog te wachten staat? Ik hoop het nog enige tijd te mogen uitzingen zoals vandaag, met Angèle, met mijn kinderen, met mijn acht kleinkinderen. Dan zal ik vredig kunnen afscheid nemen van het leven”. Ik gun het hem van harte.

Arthur Tiels

   
   
           
         
   
Florent Thiels
   
 
florent


Op één van de weinige middagen die een man op rustpensioen vrij heeft, ben ik op bezoek bij Florent Thiels. Florent woont met zijn echtgenote Irène Vrancken in een statige villa op een kleine boogscheut van de Grimbergse norbertijner abdij.
Hij heeft mijn bezoek verwacht en weet waarom ik hem kom opzoeken: speuren naar ankerpunten en belevenissen in zijn nu toch al respectabele levensloop. Om het mij gemakkelijk te maken heeft hij mij een overzichtslijstje gemaakt, waaraan ik mijn interview kan aan vastknopen.
Florent is de jongere broer van Hubert Thiels, de vorig jaar overleden vader van onze voorzitter Mark Thiels. Net als zijn broer is hij geboren in Sint-Jans-Molenbeek.  Als hij dat vertelt, roept hij een beetje nostalgisch de herinnering op aan de toenmalige voetbalclub Daring Molenbeek. Waar is de tijd naartoe? Florent ziet het levenslicht op 24 januari 1929.
Florent ziet in zijn tienerjaren toch wel donkere tijden. Hij is amper elf jaar oud als Duitse troepen op 10 mei 1940 België binnen vallen en op een vloek tijd tot militaire overgave dwingen. Als de geallieerde troepen na 6 juni 1944 vanuit Normandië oprukken en stelselmatig Frankrijk en België bevrijden, moet hij zich op zekere dag op school reppen om te schuilen voor een aankomende vliegende bom. Die komt neer in een wijk even verderop, in de buurt van het huidige Astridpark in Anderlecht.
Het is trouwens in Anderlecht dat hij na zijn middelbare studies een opleiding volgt voor tuinbouwkundige. Daar begint ook het eerste belangrijke tijdvak van zijn beroepsleven. Florent start een zaak als zelfstandige bloemist. Tot vandaag trouwens krijgen bloemen en planten een belangrijke plaats in zijn dagdagelijks bestaan.
Vrijwel parallel met de start van zijn beroepsloopbaan, begeeft hij zich op het pad van de liefde. Hij ontmoet Irène Vrancken, de dochter van een kruidenier. Zij trouwen op 29 september 1952 en zijn dus intussen een diamanten paar. Dat huwelijk vond wel in 2 stappen plaats: eerst in Sint-Jans-Molenbeek voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, de dag nadien in Vianden in het Groot Hertogdom Luxemburg.
Terwijl Florent de bestellingen uitvoert bij klanten, past Irène op de winkel en op de centen. “Zij is altijd mijn minister van Financiën geweest”, zegt hij daarover. Het was keihard werken die tijd, zegt Florent, en het is dank zij de wijze waarop Irène de financies bijhield, dat zij wat geld overhielden.
In de periode van de Wereldtentoonstelling van 1958 op de Heizel in Brussel, komt hij in contact met het veilingbedrijf Flora in Aalst, een dochter van een Nederlandse gelijknamige firma. Hij zal er ruim 10 jaar blijven als directeur van de exportactiviteiten. Van die tijd vertelt Florent dat zijn gezinsleven erg onder druk gestaan heeft: elke dag vroeg uit de veren, ’s avonds telkens weer laat thuis. Het is de tijd dat de kinderen zich afvragen wanneer ze hun papa nog eens zien.
Na een financieel geschil binnen Flora, verlaat Florent het bedrijf en krijgt hij de kans om via een fa. Hubandro, waar hij een tijd aan de slag is als zaakvoerder, zich in te werken bij Restobel en zo bij Aviapartner, een bedrijf dat actief is in de luchtvaartsector. Ook daar heeft hij een managementfunctie. Het jachtige leven dat hij tot dan toe geleid heeft en de vele zakelijke verplichtingen beginnen hun tol te eisen want rond zijn 50e verjaardag krijgt hij zijn eerste hartproblemen. Als hij 60 is, zet hij een punt achter zijn goed gevulde beroepsloopbaan. Tijd nu om wat meer te genieten in gezinsverband. Tijd om wat meer te reizen met zijn Irène.
Hun huwelijk werd gezegend met 4 kinderen. Helaas stierf de eerstgeborene, een zoontje, al een paar uren na de geboorte. Zo iets blijf je meedragen tot je laatste levensdag, zeggen Florent en Irène. Hun 3 andere kinderen, een zoon en twee dochters, maakten dat Florent en Irène 4 kleinkinderen kregen. En uit die kleinkinderen ontsproten 3 achterkleinkinderen. Reden genoeg dus om trots te zijn op hun gezin. Zij volgen het wel en wee van hun nakomelingschap redelijk goed op de voet.
Gepolst naar de beste tijd uit zijn leven, antwoordt Florent onmiddellijk: “mijn leven als gepensioneerde”. Tijd om te doen wat hij lange tijd niet kon: zijn eigen bloementuin verzorgen. Hij troont me mee naar buiten en toont me de bloemenpracht. Het geheel toont een bijna maniakale zorg. Van elke bloem of plant weet Florent te benoemen vanwaar hij die meebracht of wie ze hem cadeau deed. Bloemen en planten uit alle hoeken van de wereld. Tot voor een paar jaren zorgde Florent zelf nog voor de noodzakelijke snoeibeurten en onderhoudswerken. Nu laat hij het in handen van een tuinbouwbedrijf. Terwijl we in de tuin wandelen, kan Florent niet nalaten links of rechts een uitstekend takje weg te knijpen. Er gaat geen dag voorbij of hij doet zijn inspectieronde.
Het zakenleven bracht ook de liefde voor wijn mee. Het is een uit de hand gelopen passie geworden. De wijnkelder bulkt van variëteiten. Witte wijn, rode wijn. Het zijn vooral Franse wijnen. Ik merk toch ook de aanwezigheid op van Italiaanse, Portugese en Zuid-Afrikaanse variëteiten. Het zal nog wel even duren voor zijn voorraad opgedronken is.
Er was een tijd dat Florent en Irène geregeld gingen dansen in ballrooms. Dat staat nu op een lager pitje. Enerzijds omdat Florent de inspanningen vermijdt (zijn hartkwaal), anderzijds ook Irène heeft wat lijfelijke kwaaltjes. Nu geniet het paar van de bloementuin, van de wijn en van af en toe een reisje. Reisbestemmingen zijn nu vooral Europese en Noord-Afrikaanse landen. En weekendjes brengen zij nogal eens door in één of ander Vlaams kuststadje.
Ik ben aan de laatste episode van mijn leven bezig, zegt Florent. Ik moet zuinig omspringen met mijn  fysieke inspanningen. Een trap afdalen, dat gaat. Hem opgaan is al veel moeilijker. Soms moet ik halverwege stoppen. Als ik mij buk, moet ik zien dat ik mij weer kan oprichten. En ja, ik zet toch een beetje teveel kilo’s op de grond. “ Ik ben een gelukkige man. Ik kan nog genieten van kleine dingen, van mijn vrouw, mijn kinderen, mijn kleinkinderen, mijn achterkleinkinderen, mijn tuin, mijn wijnen, de omgang met mijn buren. Elke dag krijg ik een nieuwe dag.”
In zijn garage staat een stevige auto. Een pareltje. Verzorgd tot en met. Geen spatje te bespeuren. Exemplarisch voor de zorg waarmee Florent met de dingen omspringt. Genieten van wat hij heeft. Genieten van de zorg die hij eraan besteedt. Genieten van het resultaat.
Ik weet niet wat op mij de meeste indruk heeft gemaakt: zijn dynamische loopbaan, zijn accuraatheid om zorgzaam om te springen met wat en wie hem omgeeft, zijn positieve levenskunst, de hartelijkheid waarmee ik werd ontvangen.
Houd het nog een tijdje vol, Florent!. Je broer werd 95. Nog een goede 10 jaar te gaan!

Arthur Tiels

         
   
   

Arthur Tiels vs. Arthur Tiels

         
Arthur


Hallo?” – “Dag Tante Simone. Is mijn peter thuis?” – “Wacht. Ik roep hem.” – “Hallo?” – “Dag peter. Met Arthur. Ik zou je eens willen komen bezoeken. Past dat als ik op 13 februari kom? Ik kom je interviewen voor het tijdschrift van de familie T(h)iels.” – “Geen probleem. Kom maar af!”
Zo ongeveer verliep het voorbereidend gesprek dat ik had eind januari met Arthur Tiels, de langst overgebleven zoon van Silvester Tiels, stamvader van de tak Herfelingen l.
Je peter is altijd een belangrijke figuur in je leven. Je kijkt met veel ontzag naar hem op. Zijn oordeel over jou is voor jou zeer belangrijk. Je probeert dus altijd op een goed blaadje te staan bij hem. En dat jij het petekind bent van die grote meneer vergeet je nooit. Je probeert hem zo lang mogelijk te houden. En toch, sinds ik niet meer in het lieflijke Pajottenland woon, - nu toch al 38 jaar -, ben ik hem niet meer vaak tegen het lijf gelopen. Want zoals het in de meeste families gaat, je ontmoet elkaar alleen nog bij begrafenissen.
Op zijn verjaardag sta ik dus, als afgesproken, aan zijn deur. Zijn woning staat tussen toekomst en verleden. Aan de ene kant staan de gebouwen van de Halse Don Bosco-school, aan de andere kant ligt het Halse kerkhof. Het is een eerder eenvoudige woning, gebouwd in de typische trant van het midden van de vorige eeuw: een naar beneden hellende toegang tot de garage en een stenen trap van vijf of zes treden om de voordeur te bereiken. Binnenin is het toch behoorlijk gerieflijk ingericht.
De dag van mijn bezoek is peter Arthur 85 jaar geworden. Met die leeftijd overtreft hij zijn ouders, zijn broers en zijn zussen.
Mijn grootouders, Silvester en Maria Antonia Tiels-Van Hoegaarden (in Herfelingen beter bekend als Vester en Netteken) waren op 19 mei 1913 getrouwd en kregen 7 kinderen, waarvan een dochtertje na slechts een paar maanden overleed. Bij de geboorte van Arthur woonde het gezin nog op Borreveld, een landweg die uitgeeft op de Hondsbergstraat in Herfelingen. Later zouden ze zich vestigen op de wijk Druimeren, waar in 1932 de jongste zoon is geboren. Vester combineerde lange tijd het leven als fabrieksarbeider met dat van een keuterboer: een paar koeien, wat weiland en een paar akkers. En Netteken: zij probeerde zo goed en zo kwaad als het kon, de eindjes aan elkaar te knopen.
Arthur was een goede leerling. Op de jongensschool in Herfelingen werd hij onderwezen door meester Walraevens (de “beruchte” kleine meester), meester Miller en meester Stevens. Hij moet zeker wat voorspraak gehad hebben want na de lagere school mocht hij verder leren in de Broederschool in Edingen. Zijn broers en zijn zussen vóór hem waren vanaf hun 14 jaar uit werken gestuurd. Arthur bleef in de Broederschool tot oktober 1946. Vijf jaar lang kreeg hij er alle lessen in het Frans. In de lagere school in Herfelingen had hij nooit Franse les gehad. Het wonderlijke was volgens hem dat de Vlaamse jongens het in die school doorgaans beter afbrachten dan zij die van huize uit Franssprekend waren.
Nog toen hij in de lagere school zat, was de tweede wereldoorlog uitgebroken. Hij zag hoe zijn ouders en zijn broer Petrus te maken kregen met de kwalijke gevolgen van die tijd. Petrus werd door de bezetter (en door collaborateurs) gezocht om naar Duitse werkkampen te worden gestuurd. Hij dook onder bij mijn ouders. Vester en Netteken werden mishandeld omdat zij hun zoon dekten. Bij één van die feiten snelde Arthur zijn ouders ter hulp en sloeg met zijn klomp een collaborateur knock out. Enige tijd later moest vader Vester, toen hij op zijn akker bezig was, op de loop en ging hij een tijd lang onderduiken op een bevriend adres. De postbode speelde dan verbindingsman tussen thuis en schuilplaats.
Op 4 november 1946 treedt Arthur in dienst bij wat toen nog officieel de “Banque de la Société Générale de Belgique” heette. Later zou die haar naam wijzigen in “Société Générale de Banque” en nog later wordt zij herdoopt in Fortis. Hoe het Fortis de laatste jaren is vergaan, hebben wij allen meegemaakt. En toch, toen Arthur op 1 maart 1989 op pensioen ging, telde de bank nog bijna 16000 werknemers.
Toen Arthur op de bank begon, was Frans er de officiële voer- en omgangstaal, zelfs tussen Vlamingen onderling. Het is pas veel later, na de taalwetten van 1966 en het septemberdecreet van 1973, dat de vernederlandsing van de relaties tussen werkgever en Vlaamse werknemer echt op gang kwam. Volgens mijn peter liep dat bij de Generale Bankmaatschappij (Nederlandstalige benaming) niet altijd op wieltjes.
Tussen begin en einde van zijn beroepsloopbaan, bouwt Arthur aan huwelijk en gezin. Eerst is er nog, in volle koningskwestie, zijn legerdienst. Halverwege 1950 leert hij Simone De Boeck kennen. Het naaistertje uit Spieringen (Vollezele) is geboren op 9 januari 1931. Het paar trouwt op 12 april 1952. En net bij dit huwelijk komt een probleem aan de oppervlakte dat de ganse familie, ouders en grootouders inbegrepen, aangaat: hoe luidt onze enige echte familienaam?
De oorsprong lag een kleine eeuw vroeger. De grootvader van Arthur, Carolus Ludovicus Tiels (Louis Thiels), was in Kester geboren. In het bevolkingsregister was hij ingeschreven als Carolus Ludovicus Tiels. Na zijn huwelijk met Leonia Maria Houdelinckx ging hij in Oetingen wonen. Daar kreeg het gezin 4 kinderen (waaronder Silvester), die in het bevolkingsregister van Oetingen de familienaam Thiels meekregen. Later ging het gezin terug op grondgebied Kester wonen, waar nog 5 andere kinderen op de wereld kwamen. Die kregen terug de familienaam Tiels. Vader Carolus Ludovicus tekende evenwel elke aangifte met “louis thiels”. De kinderen van Vester, allemaal in Herfelingen geboren, droegen Thiels als familienaam. En dat gold ook voor ons, kinderen van Maurits.
Toen mijn peter in 1952 ging trouwen maakte een bediende van de gemeenteadministratie een schrijffout in de familienaam van mijn peter. Het document was geofficialiseerd vooraleer de fout werd opgemerkt. Correctie kon alleen gebeuren via gerechtelijke uitspraak. Mijn peter vreesde bovendien dat er konden problemen rijzen in geval van erfopvolging. Eind 1953 oordeelde de Rechtbank van eerste Aanleg in Brussel, dat de schrijfwijze van de familienaam van Carolus Ludovicus bij zijn geboorte de enige geldige verwijzing was. Derhalve moest in de familienaam van zijn nakomelingen-naamdragers de letter “h” geschrapt worden. Vermeldingen dienaangaande moesten in alle officiële stukken aangebracht worden. Toen dat nieuws bij Vester bekend werd, was deze in alle staten. Hij weigerde voortaan alle officiële stukken (oproepingsbrieven voor verkiezingen bv.), waar zijn “nieuwe” naam op vermeld stond. Veldwachter Firmin De Dobbeleer, die een oomzegger van mijn grootvader was, bewoog hemel en aarde om Vester van gedachte te doen veranderen, zonder resultaat echter. Op zijn grafzerk (Vester stierf op 3 september 1962) staat zijn sinds 1953 correcte naam. Het heeft nog een aantal jaren geduurd eer iedereen in de familie met de nieuwe naam echt vertrouwd was. Nu, zoveel jaren later, maak ik me druk als mijn familienaam niet correct gespeld wordt.

Arthur en Simone waren dus in 1952 getrouwd. Eerst woonden ze nog een tijdje in Druimeren, maar al spoedig trokken ze naar Kokejane (Herne). Daarna woonden ze nog een tijdje op Terlinden, één van de 3 gehuchten (naast Druimeren en Holland) van Herfelingen. Tenslotte vestigde het gezin zich definitief in Zuun, een gehucht dat deel uitmaakt van Sint-Pieters-Leeuw. De stichting van hun gezin begon aanvankelijk onder slecht gesternte. De eerstgeborene kwam te vroeg op de wereld en stierf bij de geboorte. Nadien kwamen er 4 kinderen, 3 zonen en een dochter, het koppel verblijden. Die 4 kinderen hebben er dan op hun beurt voor gezorgd dat er 8 kleinkinderen (4 maal 2) kwamen en nadien volgden nog 3 achterkleinkinderen. Eén van de kleindochters kocht intussen het ouderlijk huis van Simone. Of hoe je een cirkel kunt sluiten.
Met de kinderen het huis uit te zijn en Arthur op pensioen, hoopte het koppel om in de nazomer en de herfst van hun leven nog vele mooie dagen te mogen plukken. Helaas: Simone begon vanaf 1985 aan ouderdomsdiabetes te lijden. De ernst van de ziekte neemt met de jaren progressief toe, in die mate dat vandaag het gezichtsvermogen van Simone in ernstige mate beperkt is. Tot goed 10 jaar geleden kon het koppel jaarlijks nog op reis gaan. Nu vullen ze elke dag met een wandeling in  de voormiddag en eentje in de namiddag. Zo komen ze elke dag toch een paar uren buiten. Verder kijken ze wat TV, maar echt verslaafd aan dat medium zijn ze niet.
Arthur zelf is nog altijd goed bij de les, geeft blijk van een nog altijd schitterend geheugen. Hij heeft zo te zien nog geen bijzondere lijfelijke ongemakken. Medicijnen zijn voorlopig nog niet aan hem besteed. Hij kruidt zijn verhalen met pittige details, haalt heel wat anekdotes uit zijn jeugd naar boven, weet nog goed wie 60 jaar geleden waar woonde in Herfelingen, spreekt nog altijd de taal van zijn geboortedorp. Ik kom nooit vertelde verhalen aan de weet.
Eigenlijk vervulde ik een soort ereschuld: ik moest hem nog eens in zijn peterschap bevestigen. Peter, het ga jullie twee hopelijk nog lange tijd goed. En om een beetje in de stijl te blijven van de nieuwjaarsbrieven van weleer: ik zal wat meer werk maken om nog eens in Halle te komen.

Arthur Tiels

         
         

Paula Evelina Thiels

         
paula


Het is al een eind in september als ik in de tweede helft van de dag bij haar kom. Het heeft wel wat voeten in aarde gehad voor ik met haar kon afspreken, want hoewel zij de kaap van de 85 jaar heeft gerond, heeft zij toch nog een redelijk druk leven.
Ik sta voor een huisje in een rustige wijk in Beringen, even buiten het centrum. Niks bijzonders en, ook als ik binnen kom valt het mij op dat hier een zeer eenvoudige vrouw woont. Het interieur is sober maar tegelijk toch smaakvol. Aan de muren hangen foto’s en schilderijen die getuigen van haar leven, haar gezin, haar hobby’s.
Paula begroet mij met de plagende opmerking dat ik te vroeg ben, tien minuten om precies te zijn. Het past een beetje in haar levensvisie van haar dag: niets moet nog, veel mag nog. Laat ons genieten van de ontmoetingen die wij vandaag nog kunnen meemaken.
Terwijl ik met Paula spreek, word ik gewaar hoe belangrijk familie voor haar wel is. Zij spreekt met bewondering over haar grootvader, met verdriet en pijn over haar vader en moeder, met hartzeer over haar man, met trots over haar kinderen.
Paula werd op 11 mei 1929 geboren als oudste kind van Jozef Thiels en Maria Van Duffel. Het huis van Jozef en Maria stond in de Holleweg in Lummen. Vader Jozef was toen, net als zijn eigen vader voordien, onderwijzer in Lummen. Maria was huisvrouw. En na Paula kwamen er nog 4 kinderen (Anna, Karel, Magda en Carla). Is Paula vandaag 85, haar broer Karel en haar zus Magda hebben al een tijdje geleden het tijdelijke voor het eeuwige gewisseld. Vandaag nog blijft het heengaan van haar broer en van haar zuster haar aangrijpen. Paula vertelt ook nog dat een zesde kindje van haar ouders, Godelieve, op de leeftijd van 6 maanden aan een onbekende ziekte overleed. Zij zelf moest de wake doen bij haar kleine zusje en zag zo dat het leven het jonge lijfje ontglipte.
Het onderwijsparcours van Paula verloopt redelijk grillig. Eerst volgt zij in de meisjesschool in Lummen, gerund door kloosterzusters, het lager onderwijs. Dat loopt in die tijd nog tot de leeftijd van 14 jaar, tot het achtste studiejaar. Paula houdt er geen te beste herinneringen aan over, want de nonnen waren streng. En ondertussen is het land, Lummen incluis, verwikkeld in het leven onder de Duitse bezetting, en later de repressie na de bevrijding in de herfst van 1944. En het zijn die moeilijke oorlogsomstandigheden die het verder verloop van haar schoolcarrière bepalen. Zij gaat eerst naar de normaalschool in Hasselt, want de bedoeling is dat ook zij in het onderwijs zal stappen, net als haar vader en haar grootvader. Na enige tijd verhuist zij naar de zusters Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, maar ook daar beëindigt zij de gekozen richting niet. Vader Jozef komt in nesten en belandt uiteindelijk in de gevangenis wegens vermeende collaboratie met de bezetter. Het gezin wijkt dan uit naar Houthalen, waar oma Van Duffel een bakkerswinkel heeft. In de drie jaar dat het gezin daar verblijft, pikt Paula de liefde voor de muziek op. In de muziekschool volgt zij piano. En aan haar muzikale bagage zal ze in het latere leven nog veel deugd beleven. Overigens: Jozef Thiels wordt later in eren hersteld, maar zijn verder beroepsleven zal met veel moeilijkheden gepaard gaan.
Ondertussen is Paula adolescente geworden en begint zij de wereld buiten het gezin te verkennen. Eenvoudig is dat niet want van het weinige geld dat er binnenkomt, kan vader Jozef of moeder Maria weinig zakgeld geven. In haar buurt woont Jozef Vannoppen, een jaartje ouder als zij. Paula geraakt er mee op goede en op vrijersvoet. En op 24 april 1954, na 3 jaar verkering, treden zij in de echt. De start van een nieuw leven.
Een baan vinden in die tijd is geen evidentie. Er zijn natuurlijk de koolmijnen (Beringen, Houthalen, Zolder in de meest nabije omgeving), maar niet iedereen, ook Jozef Vannoppen niet, zag dat zitten. Het jonge koppel trok naar het Brusselse. Jozef was kleermaker en kwam daar aan de kost in een strijkatelier. Gedurende 20 jaar zouden zij in Dilbeek, in de groene rand rond de hoofdstad, wonen. Paula en Jozef kregen 8 kinderen. “De 3 eerste kwamen ras achter elkaar”, vertelt Paula. Mia, Agnes, Annemie, Eliane, Frieda, Raf, Peter en Chris (of is het Kris?) kwamen in die volgorde op de wereld. Deze 5 dochters en 3 zonen hebben dan op hun beurt gezorgd voor 16 kleinkinderen en 10 achterkleinkinderen. De jongste spruit van de familie is 3 jaar. Paula toont mij met trots een foto van een viergeslacht, waarvan zij de stamoudste is.
In een gezin met zo veel kinderen, waar slechts 1 kostverdiener was, was het natuurlijk oppassen geblazen in het uitgavenpatroon. Jozef was blij met zijn acht kinderen want daarvoor kreeg hij toch behoorlijk wat kinderbijslag. Hij was bepaald zuinig, maar dat had ook zijn positieve kant: het gezin had een grote moestuin, waar heel wat groenten konden gewonnen worden. De kinderen moesten dan wel veel helpen. Aan verenigingsleven deed Jozef niet meteen mee. Toen het met de centen een beetje beter begon te gaan, waagde het gezin zich aan kampeervakanties, eerst nog met een tent, later met een toercaravan. “Ik was dan de ganse dag bezig om voor eten te zorgen”, zegt Paula.
Ik merk dat Paula het moeilijk heeft om over haar huwelijk, haar relatie met haar man te vertellen. Zij neemt mij in vertrouwen, maar tegelijk vraagt ze mij om niet alles voor de ganse familievereniging uit de doeken te doen. Om die reden trek ik hier een streep onder het verhaal over haar huwelijk met de voetnoot dat elk zijn eigen weg is gegaan in 1982. “Er is nadien niemand anders meer in mijn leven gekomen.”, zegt Paula.
Zo leeft Paula vandaag: een bescheiden vrouw in een bescheiden huis en met een bescheiden inkomen, maar met een groot gezin en met een heel groot hart. Jarenlang heeft zij zich ingezet in de parochie, in de plaatselijke werking van Ziekenzorg. Zij is niet verslaafd aan TV (alleen het Nieuws en Blokken en op zaterdagavond naar Duitse muzikale shows). Voor de rest: er is altijd wel iemand van de familie die eens binnenspringt. Zo valt dochter Eliane binnen terwijl ik met Paula aan de praat ben. En dan mag ik ervaren welke mooie warmte er is tussen moeder en dochter.
Paula houdt nog van scrabble. “Dat houdt mijn verstand wakker.”, zegt zij. En kaarten doet zij ook nog graag. Elke week nog, om de” beurt bij een ander familielid van haar leeftijdsklasse. Het reizen is nu voorbij. Lourdes, waar zij meerdere malen was, en Rome: ’t was mooi, maar het is alleen nog genieten van de herinnering.
We snuisteren nog wat in foto’s van vervlogen tijden, van haar ouders, van haar overleden broer, van haar zelf, van haar gezin, haar kinderen. Daar draait vandaag haar wereld rond. “Mijn moeder is zo gelukkig met wat ze vandaag nog krijgt en heeft.”, zegt Eliane. Familie, dat is toch een stuk van onszelf.
Tot slot: in de zomer van 1914, in augustus, viel Duitsland België binnen. En ook Lummen kreeg te maken met de Duitse terreur. Karel Thiels, grootvader van Paula, was in die tijd hoofdonderwijzer in Lummen. Hij was getuige van een “vergeldingsactie” van de Duitse troepen in Lummen. Op 19 augustus 1914 werd Lummen platgebrand: 61 huizen gingen in de vlammen op. In 41 schriftjes hield Karel een oorlogsdagboek bij. Tegen november 2014 geeft de Geschied- en Heemkundige Kring van Lummen Karels herinneringen uit in een boek, “Van pest, oorlog en hongersnood, verlos ons, Heer”. In haar krant van 19 augustus 2014 belichtte Het Belang van Limburg uitvoerig de Duitse wandaden in die dagen. Dat Paula apetrots is op haar grootvader hoeft geen betoog.
Paula, je was een heel lieve gastvrouw, een boeiend mens om mee te spreken, je liet me het binnenste van je hart zien. Blijf elke dag genieten van wat de dag je brengt en houd het nog even vol.

Arthur Tiels

         
         

TOP